Es & Co: Craquelé

Ik houd van contrasten. Mijn hondjes zijn zo klein dat je elke keer weer smelt voor hun kleinheid. Het kleinste hondje is een jongetje en zijn kleinheid zit ook in zijn karakter, een schattig ‘watje’. Het vrouwtje is ook minuscuul maar heeft het ego van een pitbull. Die tegenstelling vind ik heel aantrekkelijk. Ze is niet goed gesocialiseerd en in de steek gelaten – vóór mijn tijd – en is licht neurotisch dus ik begrijp haar.

Ik heb ook een zwak voor grote stevige mannen. Mannen met een robuuste bouw, een lichte bolling rond het middel, stevige benen, een lichte storing of grofheid in de motoriek en met werkmanshanden, liefst met eelt. Mannen met barstjes en een scherfje eraf zijn de liefste. Grote mannen met Oldtimers nog liever. Door hun porositeit, absorberen zij maar laten ook met gemak los. Ze letten ook niet zo op mijn barsten. Ooit losse scherfjes gelijmd blijf je altijd zien; fijne lijntjes doorkruisen het geheel met hier en daar de lijm die zichtbaar slordig is aangebracht.

Gebarsten worden we alléén niet heel maar als we maar lang genoeg tegen elkaar aan schuren en flink polijsten gaan we misschien weer glanzen en verdwijnen de lijmrestjes.
Onze lijntjes transformeren in een mooi craquelé.

Es & Co: Cornelia

Ik rijd mijn auto de parkeerplaats op en zoek een plek dichtbij de ingang van de supermarkt. Grappig hoe vaak er juist dichtbij plek is alsof iedereen denkt dat het verderop vast vol is. Er valt motregen uit de grijze lucht. De vrouw bij de schuifdeuren herken ik, ze stond er vorig jaar ook. En het jaar ervoor. Ik heb haar lang niet gezien. Een ongemakkelijk gevoel bekruipt mij terwijl ik mijn biologisch katoenen boodschappentas van de passagiersstoel graai. Ik vis het vijftig eurocent muntje uit het dashbordvak voor een kar. De vrouw en ik hebben een soort relatie. Elke keer als we elkaar treffen zit ik in een ander verhaal en op een of andere manier heb ik het gevoel dat zij mijn verhaal kan lezen. Ze is klein en tenger, mager misschien maar dat kun je niet goed zien door haar kleding. Haar donkere haar is naar achteren getrokken in een staart. Ze heeft een tintje en haar uitstraling is Spaans, Portugees of misschien wel Syrisch. Haar gezicht is getaand en haar bruine ogen glanzen melancholiek. Ik kan zien en voelen dat ze weet wat eenzaamheid is en als ze lacht toont ze verwaarloosde tanden. Ze straalt iets uit wat mij raakt en toch loop ik elke keer zonder gift door. We lachen enkel vriendelijk naar elkaar. Ook bij het verlaten van de supermarkt kijkt ze me na, voel ik haar ogen in mijn rug.

 
Ik vraag mij af waarom ik nooit iets geef. Als ik langs haar loop voel ik altijd een soort ergernis maar tegelijkertijd ook bewondering. Elke dag staat ze daar met een tiental krantjes in de hand die enkel dienen als balans voor de aalmoes. Ik zou het niet kunnen al waren er periodes in mijn leven dat het misschien wel ludieker was geweest. Waarom kan zij het wel? Heeft ze geen trots en wat is haar verhaal? 
Het ergert mij omdat ze mij iets opdringt wat ik niet kies als ik gewoon even banaal mijn dagelijkse boodschappen doe.
Ze bezorgt me een schuldgevoel wat ik wegdruk met ergernis en ik weiger de verplichting aan te gaan elke keer iets te moeten geven.

Ik pak een kar en vat moed om enkel glimlachend langs haar te lopen, zoals ik steeds heb gedaan.

Ze wenkt mij als ik haar richting op loop. ‘Oh god, wat nu?’ denk ik. Ik kan niet om haar heen en loop richting ingang. Ze wenkt me weer; kom zeggen haar handen en haar ogen. Als ik naast haar sta reikt ze mij een kaartje. Verbaasd kijk ik naar de kaart in mijn handen en open hem. Het is een Kerstkaart en snel lees ik de niet foutloze maar mooi geformuleerde Kerst en Gelukswens voor 2016. De kaart is ondertekend met krullerige letters. Cornelia. Er staat een groot getekend hart onderaan de kaart.

Een blij gevoel overvalt me als ik door de winkel loop. Iets smelt in mij en ik kan het niet ontkennen of onderdrukken. Ik zou het teniet kunnen doen met gedachten als, ja, gewoon even een pak kaarten van een euro bij de Action en je hebt ons allemaal in ‘the pocket’. Maar dat doe ik niet nu ik met dat fijne gevoel mijn kar door de rijen duw.
Ik zoek een kaart uit.
Bij de servicebalie vraag ik om een pen.

Als ik de winkel verlaat loop ik langs haar heen, zet mijn kar terug en haal het vijftig eurocent muntje uit het vakje, het enige kleingeld dat ik bij me heb.
Ik loop terug en geef haar de munt en de net gekochte kerstkaart en nieuwjaarswens, ondertekend met Esther.
Eigenlijk ben ik nieuwsgierig naar haar verhaal en zou ik haar willen uitnodigen bij mij. Misschien doe ik dat nog.

Es & Co: Vergrijp – Digibeterij

‘Help, mijn leraar is een Digibeet’, lees ik in een klein hoekje op pagina twee van de Haarlemse Courant. Een kleine column maakt melding van een nieuw probleem in onze wervelende maatschappij. Het biedt een meldpunt aan voor leerlingen die allen lessen volgen waarbij computers, touchscreens of digiborden gebruikt worden en waar de leraar niet adequaat genoeg is om die tools vakkundig te gebruiken.
Wat zegt het over leerlingen als zij daadwerkelijk hun leraar zouden aangeven wegens digibeterij? Wat zegt het over de leraar als hij niet in staat is om de nieuwste tendensen van de informatica te kunnen beheersen?
Moet je als leraar nu ook al informatica studeren? Hoe belangrijk is het als je niet snel genoeg vanaf een laptop het digibord kan activeren?

Toetsing bij mijn twee middelbare scholieren die met redelijk veel plezier naar school gaan geeft opheldering.

V: Zou je een leraar aangeven als hij ‘digibeet’ zou zijn en vaak de hulp moet inroepen van de studenten?
A: Wat een onzin. Dan help je toch even. Samen met de hele klas krijgen we het wel voor elkaar.

V: Gebeurt dat ook regelmatig?
A: Alleen bij de wat oudere leraren maar dat is logisch. Dat is juist goed, hij of zij weet veel van zijn of haar vak en wij soms meer van technologie.

V: Hebben jullie daar last van of houdt het de lessen op?
A: Nee, het is juist leuk om de leraar te helpen. Zo maak je de les samen.
Het is trouwens niet meer zo dat de leraar alleen maar les geeft, de leraren leren ook van ons.

Hun meewarige blik, ‘Mama, waar heb je het over? Waarom wil je dit weten? Dit gaat helemaal nergens over…’ inclusief rollende ogen en opgetrokken wenkbrauwen na al mijn vragen zegt mij eigenlijk genoeg.

Oftewel, de column over een nieuw eigentijds dilemma met meldpunt voor leerlingen met een digibeet leraar gaat helemaal nergens over.